Skip to content

Mythe: met een inventarisatie op flap activeer je de groep – niet.

16 november 2011

Deze week las ik dat de twee mythbusters, Adam Savage en Jamie Hyneman, een eredoctoraat hebben gekregen van de Universiteit Twente. Voor wie hen niet kent: Savage en Hyneman presenteren het programma Mythbusters waarin ze met veel plezier en ontploffingen allerlei huis-, tuin- en keukenmythes ontmaskeren. Ze onderzochten bijvoorbeeld of het echt zo moeilijk is om een naald in een hooiberg te vinden. Conclusie: dat valt wel mee zolang de naalden van ijzer zijn.

Intussen ben ik toe aan mijn derde blog en ik realiseer me dat dit is wat ik ook wil: (trainings)mythes ontkrachten. In mijn eerste blog beargumenteer ik hoe de zoektocht naar creatieve werkvormen juist niét bijdraagt aan een geslaagde training. En in mijn tweede blog geef ik aan hoe je met het vragen naar een top en een tip slechte feedback uitlokt. Vandaag pak ik een derde mythe aan: dat je met een inventarisatie op flap de groep activeert.

Hoe ziet de ‘inventarisatie op flap’ eruit? De trainer stelt een vraag, bijvoorbeeld: ‘Waar denken jullie aan bij een goede leider?’ Alle deelnemers mogen om beurten iets zeggen en de trainer schrijft hun antwoorden op flap. De inventarisatie eindigt met een conclusie (‘We moeten dus zowel hard als zacht zijn en bovendien transparant. Dat is een heleboel!) of de trainer stelt één samenvattende vraag (‘Wat valt op?’). Na een korte discussie volgt een conclusie die de trainer gebruikt als brug naar zijn verhaal: ‘Dat is een heleboel! Ik wil jullie daarom graag vertellen dat ….’). Het idee is dat je de deelnemers zo activeert en vast het goede laatje in hun hoofd laat openzetten. Je verhaal kan nu zó naar binnen.

Dit klinkt allemaal prachtig, maar werkt het ook in de praktijk? Nee dus. De trainer denkt misschien dat hij veel in beweging zet, maar in de hoofden van de deelnemers gebeurt weinig. Het enige dat ze doen, is dat ze iets roepen tegen de trainer. Die is vooral bezig om dingen op de flap te schrijven en als hij al ergens op ingaat, levert dat ultrakorte gesprekjes op met de deelnemer (‘Hoe bedoel je dat precies?’). Er is dus geen discussie, er zijn alleen maar meningen die over de tafel gaan: deelnemers spuien wat ze toch al in hun hoofd hadden.

Een inventarisatie op flap zet dus niemand aan het denken; deelnemers worden niet werkelijk geactiviveerd. Het enige wat de inventarisatie oplevert, is een kapstok voor de trainer om zijn verhaal aan op te hangen, maar verdieping is er niet. De enige die hard werkt, is de trainer zelf – hij schrijft zich ongans om alle deelnemers bij te houden. Met een beetje geluk verwijst hij later in zijn verhaal nog eens naar de termen op de flap. Maar met wat pech slaat hij de flap om en verdwijnt de inventarisatie in het niets.

Stop dus met die flap en laat de groep discussiëren. Want dán activeer je mensen wel, dan worden deelnemers echt aan het denken gezet. Als je iets nieuws hoort, als je twijfels uit, als anderen daarop reageren met nieuwe inzichten, voorbeelden en verrassende vragen – dán ben je aan het leren. Dan is niet alleen die ene deelnemer actief die op dat moment het woord heeft, maar denkt de hele groep mee. Zo’n discussie zwengel je aan met een casus waarop je de groep laat kauwen. Of je legt een duidelijke mening neer, houdt je ogen op de groep en negen van de tien keer komt er een ja-maar. Mooi, dat betekent dat je iets in beweging zet! Zoek de weerstand op, want zodra er weerstand is, zeg je iets nieuws, iets verrassends.

Als de discussie eenmaal start, ga je zitten als trainer. Je schrijft niet op flap, maar volgt het gesprek in de groep. Je vat tegenstellingen samen, vraagt door naar ervaringen en argumenten en zoekt actief naar ervaringen die jouw theorie ontkrachten. Dan onderzoekt de groep wat werkt en niet werkt en leren ze optimaal. Er zal verwarring ontstaan, soms praten mensen door elkaar heen en je zult moeten interrumperen om ertussen te komen; het is geen nette inventarisatie maar een levendige discussie. Is het meeste gezegd, dan ben jij weer aan de beurt. Deels pak je op wat er gezegd is, deels voeg je toe – en wie weet, ben je het er wel totaal niet mee eens. Ook dat mag, want niks leuker dan een trainer die eerst aandachtig geluisterd heeft en daarna oprecht zegt dat hij er héél anders over denkt. Dat maakt nieuwsgierig!

Wat heb je nodig als trainer om zo te werken? Veel lef en veel vertrouwen. Lef om je eigen mening te voelen én benieuwd te zijn naar die van de deelnemer(s). Lef om het gesprek open te gooien en het te laten ontstaan, lef om te voelen dat je de controle over de inhoud even kwijt bent. En vertrouwen: in jezelf omdat je weet dat je het proces kunt managen; en in de groep omdat je weet dat de deelnemers niet gek zijn. In gesprek met elkaar en met jou komen ze vrijwel altijd uit op mooie ‘waarheden’.

En tot slot: vertrouwen in de verwarring. Juist als er twijfel ontstaat, ontstaat ook honger naar het verhaal van de trainer die misschien een oplossing voor de twijfels heeft, die een perspectief kan geven. Nooit glijdt je verhaal zó lekker naar binnen als na een pittige groepsdiscussie.

Advertisements
4 reacties leave one →
  1. Geurt Leestemaker permalink
    25 november 2011 07:39

    Ik ben het roerend met je eens dat het leren vooral gebeurt in de dynamiek van het niet gestructureerde. Toch heb ik als beginnend trainer heel veel baat gehad bij de structuur van de flap waarmee je blog begint. Laat vooral een trainer zelf aanvoelen (en experimenteren) in hoeverre hij/zij deze structuur durft los te laten en zich buiten de leergroep durft op te positioneren.
    Een understatement: het ‘echte leren’ van de groep begint op het moment dat de trainer overbodig wordt en daadwerkelijk op de lage stoel buiten de leercirkel gaat zitten.

  2. 18 november 2011 16:52

    Bij een (open) training gebruik ik vaker een inventarisatie vraag. Mensen komen toch vaak ’s morgens de ruimte in, en moeten dan nog ‘ into de training komen’. Na een kennismakingsoefening en het inventariseren van de leerbehoeften, ga ik (afhankelijk van het onderwerp) over tot een inventarisatie -vraag. Mijn ervaring is dat de deelnemers actief met elkaar over het onderwerp gaan brainstormen. Vaak geef ik de deelnemers zelf een flipover stift om het zelf op de flipover te schrijven. Daarna vraag ik ze uit te leggen wat ze hebben geschreven. Deelnemers reageren dan op elkaar. Hiermee heb ik positieve ervaringen. Deelnemers worden dan zeker wel geactiveerd.

    mvg Ingrid Caubergh

  3. 16 november 2011 15:50

    Wat me erg aanspreekt in je verhaal is aandacht van de trainer naar de groep ipv andersom. Wat me ook aanspreekt is het zoeken naar verdieping, doorvragen, voorbeelden, argumenten.
    Ik denk wel dat je een tegenstelling creëert die er lang niet altijd hoeft te zijn. Want “inventarisatie” of even brainstormen of wat ik vaak doe associaties bij een woord dus meer op het vlak van betekenisgeving, vind ik in combinatie met het gesprek wat jij verwoord heel nuttig. Zeker als we in trainingen verzeild raken in managers- of ook in trainersjargon zitten we vaak met van die container begrippen die wel lekker soepel werken ( iedereen kan er zijn of haar eigen betekenis aan toe kennen) maar de facto zitten we in een babylonische spraakverwarring. Dan kan zo”n inventarisatie een betekenis – / associatie wolk opleveren die helpt om met elkaar tot één betekenis te komen

  4. 16 november 2011 13:44

    Veel woorden, maar uw analyse van een werkwijze, die met de flap, is een karikatuur. Zo werken trainers niet. Ze gebruiken de flap JUIST voor het bouwen van een dialoog.

    Vriendelijke groet,

    Rolf Knijff

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: